Cases

Filter op vakgebied:

  • Strafrecht en BOPZ

    Datum: 2018-08-25
    Kort omschrijving:

    In veel gevallen mag je na een zitting wel tevreden zijn met een ‘9a-tje’. Het houdt in dat het strafbare feit waarvan je cliënt verdacht wordt wel wettig en overtuigend bewezen is verklaard, maar hem/haar geen straf of maatregel is opgelegd (naar art. 9a Wetboek van Strafrecht). De redenen om af te zien van strafoplegging kunnen legio zijn, maar zijn vaak gelegen in zwaarwegende persoonlijke omstandigheden. De verdachte kan zelf getroffen zijn door het strafbare feit dat hij gepleegd heeft (bijv. zelf letsel opgelopen), het slachtoffer heeft zich zelf ook niet onbetuigd gelaten richting de verdachte, de schade is door de verdachte aan het slachtoffer vergoed, er heeft reeds mediation plaatsgevonden etc. etc. Kort en bondig, er kan worden afgezien van strafoplegging als er geen strafdoel meer is, zoals bijv. vergelding of preventie.

    Recent stond ik een cliënt van wie zijn zaak met zo’n ‘9a-tje’ werd afgedaan. Hij werd ervan verdacht een verpleegkundige in een psychiatrisch ziekenhuis te hebben mishandeld door hem tegen het achterhoofd te trappen. De vader van cliënt was op dat moment bij hem op bezoek, maar had de mishandeling - die achter een muur in die ruimte plaatsvond - niet waargenomen. Wel zou hij hebben gehoord dat zijn zoon als dader werd aangewezen. De verpleegkundige zelf stelde na de trap op zijn achterhoofd kortstondig bewusteloos te zijn geraakt. Hij stelde de mishandeling dus zelf ook niet te hebben ‘meegemaakt’. Wel heeft hij ‘van horen zeggen’ dat cliënt hem mishandeld zou hebben. Cliënt is 3 weken later in een ander psychiatrisch ziekenhuis als verdachte gehoord zonder consultatie- of verhoorbijstand van een advocaat. Hij stelt tijdens dat verhoor ernstig psychotisch te zijn geweest en kan zich van de mishandeling niets meer herinneren. Wel biedt hij excuses aan voor zijn gedrag.

    De verhorend rechercheur beschrijft in zijn proces-verbaal dat cliënt tijdens dat verhoor - op een intensieve behandelafdeling van een psychiatrisch ziekenhuis - het ene moment ‘helder van geest’ is geweest, maar het andere moment ‘down en verward’ overkwam. Cliënt heeft tijdens zijn verhoor aangegeven al enige tijd een antipsychose middel en slaapmedicatie te gebruiken. Het verhoor van cliënt zou volgens het proces-verbaal van de rechercheur 1,5 hebben geduurd. Het proces-verbaal van dat verhoor beslaat maar 2 pagina’s. Dit lijkt te duiden op een moeizaam verlopen verhoor.

    Ter zitting heb ik betoogd dat de ‘bekennende’ verklaring van cliënt moet worden uitgesloten van het bewijs. Immers, cliënt was ten tijde van zowel de mishandeling als zijn verhoor aantoonbaar psychotisch. Tevens oogde hij tijdens het verhoor aantoonbaar ‘kwetsbaar’, zodat hem consultatie- en verhoorbijstand van een advocaat had moeten worden ‘opgedrongen’. Dat geldt temeer nu hij zich in een psychiatrisch ziekenhuis bevond op basis van een rechterlijke machtiging in het kader van de Wet BOPZ en zich dus niet aan de verhoorsituatie kon onttrekken.

    De rechter in eerste aanleg vond uitsluiting van de ‘bekennende’ verklaring van cliënt niet aangewezen. Wel heeft die rechter rekening gehouden met de ‘bijzondere omstandigheden’ van de zaak, zodat schuldigverklaring zonder strafoplegging (art. 9a Sr) volgde. Juist die afdoening maakte echter nog wel toewijzing van schadevergoeding aan de benadeelde partij mogelijk. Een tevreden gevoel hield ik dan ook niet over aan deze ‘9a Sr’.

    In hoger beroep vond ik een gewilliger oor bij het gerechtshof. Met name toen ik een kopie van de rechterlijke machtiging kon overhandigen die ten tijde van de mishandeling gold. Daaruit bleek aantoonbaar dat cliënt ten tijde van de mishandeling gedwongen was opgenomen in verband met een ernstig psychotisch toestandsbeeld en daardoor een gevaar voor zichzelf en anderen vormde. Om juist in die situatie geen consultatie- en verhoorbijstand mogelijk te maken raakte aan het beginsel van een eerlijk proces. Zodoende besloot het gerechtshof de ‘bekennende’ verklaring van cliënt uit te sluiten van het bewijs. Het resterende bewijs bleek te mager voor een veroordeling. Hiermee kon de schadevergoeding ook niet meer worden toegewezen. En ik? Ik kon eindelijk tevreden naar kantoor.

    Casenummer: ECLI:NL:GHDHA:2018:1003 en NBSTRAF 2018/154
    Vakgebied: Strafrecht
  • Verjaring kantonstrafzaak

    Datum: 2018-08-07
    Kort omschrijving:

    Vandaag blijkt maar weer dat zelfs een simpele kantonstrafzaak voor de verdediging nog tot veel plezier kan leiden. Deze zaak betrof een verstekvonnis van de kantonrechter Rotterdam van mei 2011, waarin cliënt veroordeeld was tot 2 weken hechtenis en 6 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid voor het overtreden van art. 30 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Kort gezegd had hij geen verzekering afgesloten voor een op zijn naam gestelde auto. En dat was destijds niet de eerste keer. Het Openbaar Ministerie besloot echter pas in september 2017 deze uitspraak te betekenen aan cliënt, waarna cliënt direct hoger beroep instelde. Het Gerechtshof Den Haag verklaarde cliënt ontvankelijk in zijn hoger beroep (artikel 404, lid 3 Wetboek van Strafvordering) en besloot terecht dat het recht tot strafvordering inmiddels was komen te vervallen. Immers, overtredingen moeten binnen 3 jaren worden berecht na de pleegdatum (zie de artikelen 70 en 71 Wetboek van Strafrecht). Na het vonnis van de kantonrechter heeft het Openbaar Ministerie niets meer gedaan om een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing te verkrijgen, althans dat veel te lang op zijn beloop gelaten. Het vonnis van de kantonrechter werd - nu 7 jaren na dato - vernietigd en het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van cliënt. En cliënt, die zijn leven inmiddels alweer enige jaren goed op de rit heeft en al lang geen gemotoriseerde motorrijtuigen meer bezit en/of op zijn naam heeft staan, komt met de schrik vrij.

    Casenummer: 22-004303-17
    Vakgebied: Strafrecht
  • Mediation bij mishandeling

    Datum: 2018-05-08
    Kort omschrijving:

    Onlangs meldde zich een cliënt op kantoor die een dagvaarding had ontvangen voor een zitting bij de politierechter in verband met een mishandeling. Eind vorig jaar was hij samen met een vriendengroep, zijn voetbalteam, gaan stappen. Op enig moment ontstond er door een futiliteit een hevige discussie met een vriend uit dat voetbalteam. Deze discussie mondde uit in duw- en trekwerk en klappen. Het resultaat was pijn en letsel over en weer. Cliënt had hierbij de meeste schade opgelopen nu zijn verwondingen in het gezicht dienden te worden gehecht en blijvende littekens tot gevolg hadden. Beiden deden aangifte van mishandeling en dienden een vordering tot schadevergoeding in (hoofdzakelijk vanwege immateriële schade). Beiden stelden uit noodweer te hebben gehandeld, maar het dossier bevatte vrijwel louter getuigenverklaringen die cliënt als agressor betitelden. Cliënt – een ‘first offender’ met baan in het onderwijs – gaf aan getuigen te willen horen om ‘de waarheid boven tafel te krijgen’ en zo het beroep op noodweer, dan wel noodweerexces kans van slagen te kunnen geven. Een dergelijke strategie zou tijdrovend en kostbaar zijn geweest. Immers, reeds gehoorde getuigen zouden moeten worden geconfronteerd met onderlinge inconsistenties, nog niet gehoorde getuigen opgespoord. De uitkomst van dit traject zou ongewis zijn geweest. Een bewezenverklaring met strafoplegging en toewijzing van het schadevergoedingsverzoek zou dan nog onrechtvaardiger hebben aangevoeld. Het dossier zou dan immers geen erkenning en vergoeding van de schade van cliënt en vaststelling van (mede)schuld van de vriend hebben ingehouden. Bovendien zou cliënt zich dan ook niet voldoende ‘gehoord’ hebben gevoeld over zijn lezing van dit incident. Daarom hebben wij besloten een mediation met die vriend te beproeven. In de mediation hebben zij beiden afzonderlijk, maar zeker ook naar elkaar toe het incident kunnen uitspreken. Zij hebben elkaars lezing van het gebeuren erkend en over en weer excuses gemaakt. Zij besloten hun beider schadeclaims te laten vallen en hebben zelfs afspraken gemaakt op korte termijn weer met elkaar te gaan voetballen. Zij hebben de officier van justitie meegegeven geen waarde meer te hechten aan sanctionering van dit geschil, o.a. vanwege de mogelijke gevolgen voor de justitiële documentatie en Verklaring omtrent het Gedrag (VoG). Met de in de mediation tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst heb ik de officier van justitie verzocht de dagvaarding voor de zitting te willen intrekken en de zaak te willen seponeren op grond van de sepotcodes 70 (verhouding tot de benadeelde geregeld) en/of 55 (gewijzigde omstandigheden). Zo geschiedde, een uitkomst met ‘winst’ voor alle betrokken partijen.

    Casenummer: Niet gepubliceerd
    Vakgebied: Strafrecht